
Persoonlijkheidstypen delen mensen in hokjes, zoals de 16 typen van de MBTI, de negen van het Enneagram of de vier kleuren. Ze zijn handig als gespreksstarter, maar persoonlijkheid is in werkelijkheid een glijdende schaal. Het best onderbouwde model, de Big Five, werkt daarom niet met typen maar met vijf dimensies waarop iedereen ergens scoort.
Persoonlijkheidstypen zijn pogingen om de enorme variatie in hoe mensen denken, voelen en zich gedragen terug te brengen tot een overzichtelijk aantal groepen. Dat spreekt aan: een label als “introvert”, “INFJ” of “blauw” geeft in een paar letters een gevoel van herkenning, voor jezelf en voor de mensen om je heen.
Maar niet elk model is even goed onderbouwd. In dit artikel bespreken we de bekendste indelingen, van Jung en de MBTI tot het Enneagram, Holland en de kleurenmodellen. Je leest wat de letters en kleuren betekenen, wat onderzoek erover zegt en hoe je een uitslag verstandig gebruikt. Wil je eerst een bredere basis, lees dan wat persoonlijkheid eigenlijk is.
Een persoonlijkheidstype is een categorie van mensen die op een aantal kenmerken op elkaar lijken. Een typemodel zegt: je hoort bij groep A of bij groep B. Daartegenover staat de dimensionele benadering, die zegt dat iedereen op elke eigenschap ergens op een schaal zit, van heel weinig tot heel veel.
Het verschil lijkt klein, maar het heeft grote gevolgen voor hoe je een uitslag moet lezen.
Hieronder staan de modellen die je het vaakst tegenkomt, met waar ze voor bedoeld zijn en hoe sterk de onderbouwing is.
| Model | Indeling | Waarvoor gebruikt | Onderbouwing |
|---|---|---|---|
| Big Five | 5 dimensies (geen typen) | Onderzoek, selectie, zelfinzicht | Sterk |
| MBTI | 16 typen uit 4 letterparen | Teams, coaching, loopbaan | Matig, vooral de typering zelf |
| Jung | 2 attitudes, 4 functies | Theoretische basis voor de MBTI | Historisch, weinig getoetst |
| Enneagram | 9 typen naar drijfveer | Persoonlijke groei, coaching | Beperkt |
| Holland (RIASEC) | 6 interessetypen | Studie- en beroepskeuze | Goed, voor interesses |
| Kleurenmodellen (DISC) | 4 kleuren of stijlen | Trainingen, communicatie | Beperkt |
| PCM (Kahler) | 6 typen | Communicatietrainingen | Beperkt |
De moderne typologieën beginnen bij de Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung. In zijn boek Psychologische Typen uit 1921 beschreef hij twee attitudes: introversie, waarbij je aandacht vooral naar binnen is gericht, en extraversie, waarbij die naar de buitenwereld gaat. Daarnaast onderscheidde hij vier functies: denken en voelen (manieren van oordelen) en gewaarwording en intuïtie (manieren van waarnemen).
Door een attitude te combineren met een dominante functie kwam Jung op acht typen, zoals de extraverte denker of de introverte intuïtieve. Let op: zijn bekende ideeën over archetypen horen bij een ander deel van zijn werk, over het collectief onbewuste, en staan los van deze typeleer. Jung baseerde zijn typen op klinische observatie, niet op metingen. Zijn begrippen introversie en extraversie leven wel voort in vrijwel elk modern model.
Katharine Briggs en haar dochter Isabel Briggs Myers werkten de ideeën van Jung uit tot een vragenlijst: de Myers-Briggs Type Indicator. Elk type krijgt een code van vier letters, zoals INFJ of ESTP. Meer over de geschiedenis en de afzonderlijke typen lees je in ons artikel over de MBTI.
| Letterpaar | Waar gaat het over? |
|---|---|
| E of I | Extraversie of introversie: haal je energie vooral uit contact met anderen, of uit tijd voor jezelf? |
| S of N | Sensing of intuïtie: let je vooral op concrete feiten en ervaring, of op patronen en mogelijkheden? |
| T of F | Thinking of feeling: weeg je beslissingen vooral op logica en consistentie, of op waarden en het effect op mensen? Feeling betekent dus niet “emotioneler”. |
| J of P | Judging of perceiving: wil je zaken liever afronden en plannen, of houd je opties open? Judging betekent niet “oordelend”. |
De vier MBTI-schalen hangen duidelijk samen met vier van de Big Five, namelijk extraversie, openheid, meegaandheid en consciëntieusheid (McCrae & Costa, 1989). Het zwakke punt zit in de hokjes: omdat veel mensen dicht bij de grens scoren, krijgt een flink deel bij een nieuwe test een ander type (Pittenger, 2005).
Ontdek je type en je natuurlijke voorkeuren met een uitgebreid rapport.
Test uitgevoerd via onze partner Brainmanager.Het Big Five model, ook wel het vijffactorenmodel of OCEAN genoemd, is het best onderzochte model van persoonlijkheid. Het ontstond niet uit een theorie, maar uit analyses van de woorden die mensen in allerlei talen gebruiken om elkaar te beschrijven (Goldberg, 1993). Steeds kwamen dezelfde vijf brede eigenschappen naar voren.
Omdat de Big Five scores geeft in plaats van labels, zie je niet alleen óf je extravert bent, maar ook hoe sterk. Deze eigenschappen voorspellen allerlei uitkomsten, van werkprestaties tot gezondheid. Consciëntieusheid hangt bijvoorbeeld in vrijwel elk beroep samen met beter presteren (Barrick & Mount, 1991). Een groot deel van de verschillen tussen mensen is bovendien deels erfelijk bepaald.
Toch wel, maar anders dan populaire tests suggereren. Onderzoekers die in grote datasets zoeken naar clusters van mensen met een vergelijkbaar Big Five profiel, vinden telkens een klein aantal terugkerende profielen.
Emotioneel stabiel, relatief extravert, meegaand en consciëntieus.
Asendorpf e.a., 2001Gevoelig voor spanning, terughoudend en introvert.
Asendorpf e.a., 2001Impulsief, minder zorgvuldig en minder meegaand.
Asendorpf e.a., 2001Een studie met meer dan anderhalf miljoen deelnemers vond vier van zulke clusters (Gerlach e.a., 2018). Ook daar gaat het om zwaartepunten in de data: veel mensen passen bij geen enkel cluster goed.
Het Enneagram beschrijft negen typen, niet zozeer naar gedrag als wel naar wat iemand ten diepste nastreeft of vermijdt. Het model komt uit spirituele en coachingstradities en is vooral populair voor persoonlijke groei.
| Type | Kernverlangen | Valkuil |
|---|---|---|
| 1. De Perfectionist | Goed en juist handelen | Kritisch, star |
| 2. De Helper | Geliefd en nodig zijn | Eigen behoeften wegcijferen |
| 3. De Presteerder | Waardevol en succesvol zijn | Imago boven echtheid |
| 4. De Individualist | Uniek en authentiek zijn | Somberheid, jaloezie |
| 5. De Onderzoeker | Begrijpen en bekwaam zijn | Terugtrekken, afstand |
| 6. De Loyalist | Veiligheid en houvast | Twijfel, wantrouwen |
| 7. De Enthousiasteling | Vrijheid en plezier | Pijn ontlopen, versnippering |
| 8. De Uitdager | Controle en zelfstandigheid | Dominantie |
| 9. De Vredestichter | Rust en harmonie | Conflicten vermijden |
De beschrijvingen zijn rijk en herkenbaar, wat het Enneagram geschikt maakt als reflectie-instrument, bijvoorbeeld naast kernkwaliteiten. Een systematische review vond echter wisselende resultaten over de betrouwbaarheid en de vraag of de negen typen echt los van elkaar bestaan (Hook e.a., 2021).
John Holland ontwikkelde een model van zes typen dat vooral over interesses gaat: wat voor werk spreekt je aan? Mensen en werkomgevingen worden met dezelfde zes letters beschreven, zodat je kunt kijken waar je goed bij past (Holland, 1997).
In de praktijk krijg je meestal een code van twee of drie letters, zoals SAI. Het model is goed bruikbaar in loopbaanadvies, juist omdat het niet claimt je hele persoonlijkheid te vangen. Voor teamrollen bestaat een eigen model: de Belbin-teamrollen.
In trainingen en op de werkvloer kom je vaak kleurenmodellen tegen, zoals DISC of Insights Discovery. Ze gaan terug op het werk van William Marston uit 1928 en verdelen gedragsstijlen meestal over vier kleuren.
Kanttekening: kleurenmodellen meten vooral hoe je je in een bepaalde context gedraagt. Ze zijn bruikbaar als gemeenschappelijke taal in een team, maar er is weinig onafhankelijk onderzoek naar. Gebruik ze dus nooit om iemand te selecteren of af te wijzen.
De indeling in vier lijkt op de veel oudere vier temperamenten van Hippocrates en Galenus: sanguinisch, cholerisch, melancholisch en flegmatisch. Ook de Roos van Leary werkt met een cirkel, maar die beschrijft gedrag in interactie, niet vaste typen.
Ondanks de beperkingen kan een typemodel je wel iets opleveren, zolang je het als startpunt ziet en niet als eindoordeel.
Een type verklaart niets, het beschrijft alleen. “Ik ben nu eenmaal een P, dus ik plan niet” is geen verklaring maar een excuus. Gedrag hangt ook af van situatie, vaardigheden en keuzes. Daarnaast voelt bijna elke typebeschrijving herkenbaar, omdat ze vaak algemeen geformuleerd is: het zogeheten Barnum-effect.
Persoonlijkheid is redelijk stabiel, maar niet vast. Een grote meta-analyse liet zien dat de meeste mensen tussen hun twintigste en veertigste gemiddeld consciëntieuzer, meegaander en emotioneel stabieler worden (Roberts e.a., 2006). Werk, relaties en ingrijpende ervaringen spelen daarin mee.
Bij typemodellen komt daar nog bij dat je label kan wisselen zonder dat je echt veranderd bent, simpelweg omdat je net rond een grens scoort. Een andere uitslag na een paar maanden zegt dus vaak meer over de test dan over jou.
Breng je vijf hoofdeigenschappen in kaart met een uitgebreid rapport.
Test uitgevoerd via onze partner Brainmanager.Dat hangt af van het model: de MBTI kent er 16, het Enneagram 9, Holland 6 en kleurenmodellen meestal 4. Er bestaat dus geen vast aantal. Het best onderbouwde model, de Big Five, werkt zelfs helemaal niet met typen maar met vijf schalen.
Bij de MBTI horen ISFJ en ISTJ in grote Amerikaanse steekproeven meestal tot de meest voorkomende typen, en INFJ en ENTJ tot de zeldzaamste. De verdeling verschilt wel per land, leeftijd en test. Zeldzaam betekent overigens niet beter of bijzonderder.
De vier letters van de MBTI staan voor je voorkeur op vier paren: E of I (extraversie of introversie), S of N (sensing of intuïtie), T of F (thinking of feeling) en J of P (judging of perceiving). Een vijfde letter, zoals INFJ-T of INFJ-A, komt uit de 16Personalities-variant en gaat over hoe gevoelig je bent voor stress.
Deels. De vier schalen meten echte verschillen die overlappen met de Big Five. De indeling in 16 vaste typen is zwakker: wie dicht bij een grens scoort, krijgt bij een hertest vaak een ander type. Daarom is de MBTI wel bruikbaar voor gesprekken, maar niet voor selectie.
Daar is weinig bewijs voor. Grote studies laten zien dat de relatietevredenheid vooral samenhangt met de eigenschappen van beide partners afzonderlijk, zoals emotionele stabiliteit en meegaandheid, en veel minder met hoe goed hun profielen op elkaar lijken (Dyrenforth e.a., 2010).
Type A beschrijft mensen die gedreven, competitief en ongeduldig zijn, tegenover het rustigere type B. Het begrip komt van cardiologen die in de jaren vijftig een verband met hartziekten zagen (Friedman & Rosenman, 1959). Later onderzoek wijst vooral op vijandigheid en boosheid als het risicovolle deel (Chida & Steptoe, 2009).
In een typemodel krijg je één uitslag, maar in werkelijkheid herken je jezelf vaak in meerdere beschrijvingen. Dat is logisch: je scoort op elke eigenschap ergens op een schaal en gedraagt je per situatie anders. Zie een type daarom als je zwaartepunt, niet als je enige kant.
Dit artikel is bedoeld als informatie en vervangt geen professioneel advies.